De Roedelkaart

  1. Een roedelleider is altijd kalm en zelfverzekerd. Bent U boos of gestrest, dan ziet de hond dat als zwakte en zal u niet als leider accepteren.
  2. Maak uw lichaamshouding groot (rechtop, schouders naar achteren); straal kalme leiderschap uit!
  3. Negeer de hond ‘s morgens bij de eerste begroeting volkomen. (niet praten, niet aanraken en geen oogcontact) Als de hond geen interesse meer toont mag je hem rustig aanhalen. (niet overdreven enthousiast doen)
  4. Voer de hond nooit als hij in een hyperactieve staat is. (blaffen, janken, springen, ronddraaien, enz.) Laat het voer niet de hele dag staan. Niet op binnen 10 minuten, dan weghalen!
  5. Bij alle doorgangen in en om het huis gaat U het eerst voor … daarna pas de hond, zonder commando’s te geven maar door lichaamshouding en uitstraling.
  6. Alles in huis is van U, alle huisregels zijn door u bedacht en moeten nageleefd worden. U bent ook diegene die de huisregels (tijdelijk of definitief) kan wijzigen indien dit nodig is.
  7. Nooit schreeuwen naar een blaffende hond; de hond denkt dat u “meeblaft”.
  8. Correcties geven heeft slechts tot doel, de hond snel op zijn verkeerde gedrag te wijzen.
  9. Correcties kunnen gegeven worden door een snelle, korte prik met de vingers, het gebruik van de discs, een kort “hey” of “shhht”, knippen met de vingers, aankijken en ruimte opeisen. Nooit in nekvel pakken en op de rug leggen!
  10. Geef de hond eerst een opdracht voor hij iets (voer, spelen of aandacht) krijgt (zit, af, of poot).
  11. Ga niet voor de hond aan de kant, loop tegen hem aan, zodat hij plaats maakt voor U.
  12. De hond mag geen hoge posities innemen; niet op de bank, stoel of bed.
  13. De hond mag niet dwingen tot aanhalen (kop duwen) of spel (speeltje brengen). U geeft aan wanneer er geknuffeld kan worden en/of gespeeld. (een vriendelijke probleemloze hond mag best komen vragen om een aai)
  14. Belangrijker nog: U geeft ook aan wanneer het aaien of spelen ten einde is!
  15. Geef nooit aandacht (aaien, sussend toespreken) als de hond angstig of agressief is!
  16. Zowel bij het verlaten van de hond als het weer terugkomen, geeft u geen aandacht, ongeacht de tijdsduur. Doe dat pas 10 minuten later!
  17. Leer bezoek dat zij de hond negeren. U behoort als leider het eerst te worden begroet!
  18. Voer regelmatig deze handelingen uit; over kop en nek aaien, borstelen, gebit en oren kijken, hand over de snuit, plat neerleggen en optillen. (rustig en zelfverzekerd)
  19. Een reu mag niet overal zijn poot optillen (castratie geeft een prettiger karakter bij reuen!)
  20. Geef de hond meer beweging (wandelen/fietsen/hardlopen) of een extra uitdaging (sport).