Onderzoek Castratie reu/teef

Onderzoek Castratie reu/teef door: Door Dr. E. Heidenberger en prof. dr. J. Unsheim.

Vertaalt en samengevat uit een Duits diergeneeskundig tijdschrift door Lenny Groenewoud-Jeisma (Dierenkliniek Ermelo).

Castratie bij honden is één van de meest voorkomende operaties in de kleine huisdierenpraktijk. Sommige eigenaren zijn bang dat het gedrag van hun hond na de operatie zal zijn veranderd. Andere hopen juist dat bepaald ongewenst gedrag zal verdwijnen door de operatie.

Het hier gepresenteerde onderzoek zal gedragsveranderingen na castratie behandelen vanuit het gezichtspunt van de hondenbezitter. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een anoniem uitgevoerde schriftelijke enquête onder bezitters van gecastreerde honden. In het onderzoek zijn gegevens verkregen over 209 reuen en 382 teven. Circa 24% hiervan betrof kruisingen, de rest van de onderzochte groep was verdeeld over 98 verschillende rassen. Ongeveer 90% van de onderzochte honden werd als “huishond” gehouden, 20% (eventueel naast de functie als huishond) fungeerde als waakhond.

Het optreden van gedragsproblemen

Bij reuen (in tegenstelling tot bij teven) zijn gedragsproblemen de belangrijkste reden om tot castratie over te gaan: 76% van de reuen (bij 51% van degenen met gedragsproblemen) was een overmatige geslachtsdrift, maar het probleem dat bij beide geslachten als het belangrijkst werd gezien is agressiviteit: 51% van de reuen en 33% van de teven met gedragsproblemen vertoonden dit. Overmatige angst kwam voor bij 29% van de teven en slechts bij 6% van de reuen. Wat verder opviel was dat er beduidend minder problemen optreden wanneer een hond samen met meerdere soortgenoten wordt gehouden. Waarschijnlijk is het zo dat conflicten dan door imponeergedrag c.q. onderdanig gedrag opgelost worden zonder dat er werkelijk agressieve handelingen worden verricht. Zeer belangrijk bij het ontstaan en de beïnvloedbaarheid van problemen is verder de opvoeding van de honden en daarmee samenhangend de gehoorzaamheld en rangorde ten opzichte van de hondenbezitter.

Veranderingen van gedragsproblemen na castratie bij reuen Bij de reuen met ongewenste agressiviteit (in 35% van de gevallen kwam dit voor in combinatie met een te sterke geslachtdrift) trad in 61% van de gevallen na de castratie een verbetering van het gedrag op. In tegenstelling tot alle andere onderzochte vormen van probleemgedrag is het resultaat bij ongewenste agressiviteit positiever, indien de honden op zo jong mogelijke leeftijd gecastreerd worden. Dit kan worden veroorzaakt doordat, naarmate de honden ouder zijn, aangeleerde aspecten sterker deel uitmaken van het agressieve gedragen hoe minder daardoor hormonale veranderingen dit kunnen beïnvloeden. Eveneens positief is de invloed van veelvuldig contact met andere honden. Een negatieve invloedsfactor op de gedragsverbetering is de aanwezigheid van een kind binnen het gezin, dat voor een hond aanleiding tot jaloezie kan zijn. Tevens kan deze situatie er voor de bezitter de oorzaak van zijn dat er onvoldoende tijd is voor de opvoeding van de hond, hetgeen resulteert in een slechte algemene gehoorzaamheid van de hond. Bij de reuen met een overmatige geslachtsdrift was het probleem in 95% van de gevallen duidelijk verminderd of zelfs geheel verdwenen. Het weglopen als probleem (in 65% van de gevallen voorkomend in combinatie met een overmatige geslachtsdrift) kwam voor bij 43 van de 158 reuen met gedragsproblemen. Bij 86% van deze honden was dit na castratie belangrijk verminderd of geheel verdwenen. De verbetering zal veelal duidelijker waarneembaar zijn indien tegelijkertijd ook maatregelen in de sfeer van opvoeding en training worden genomen.

Verandering van gedragsproblemen na de castratie bij teven Van de teven met ongewenste agressiviteit (in 28% van de gevallen in combinatie met overmatige angst) vertoont 53% na castratie minder agressief gedrag. Bij 21% van de teven treedt juist na de operatie voor het eerst ongewenst agressief gedrag op.

Dit Laatste kan een gevolg zijn van het feit dat oestrogenen (vrouwelijke geslachtshormonen) een remmende werking op agressief gedrag hebben. Castratie van agressieve teven kan daarom in sommige gevallen een ongewenst versterkend effect hebben op de agressiviteit. Bovenmatige angst werd na castratie (deels) verminderd bij 49% van de teven die dit gedrag vertoonden. Echter: vooral bij honden die meer dan 7 uur per dag alleen zijn verbeterde de situatie nauwelijks. Onrust/nervositeit kwam bij 23% van de “probleemteven” voor. Dit gedrag verbeterde in geringe mate of duidelijk bij 78% van deze groep. Hoe ouder de dieren zijn en hoe meer eigenaren ze al hebben gehad, hoe geringer de gedragsverbetering in dit geval is.

Ook het houden van de dieren in een kennel of een gezin met meerdere kinderen heeft een negatieve invloed. Dit laatste aspect (gezin met meerdere kinderen) bemoeilijkt een verbetering van de situatie door de drukte en ‘onrust’ die de kinderen in de meeste gevallen met zich meebrengen. Anders dan bij de andere vormen van ongewenst gedrag blijft hier strakke opvoeding van de hond, zonder resultaat, sterker nog: het probleem kan verergeren omdat de teven zich door deze (harde) opvoeding nog onzekerder gaan voelen.

Algemene gedragsveranderingen na de castratie Bij 43% van de teven valt op dat ze na de castratie meer zijn gaan eten en bedelen”. Ongeveer één derde deel van de honden wordt minder actief na de castratie, de reuen in iets sterkere mate dan de teven. Dit komt vooral voor bij honden die ouder zijn dan drie jaar. Deze afname van de activiteit hangt in belangrijke mate samen met het meer gaan eten en daarmee ook met een gewichtstoename van deze honden. Het feit dat het vooral oudere honden betreft waar dit zich voordoet kan echter mede een gevolg zijn van het algemene “ouder worden” en dus minder actief worden van deze honden. Waaksheid en uithoudingsvermogen zijn twee gebruikseigenschappen van de honden die zelden veranderen door de castratie. Het gedrag ten opzichte van andere honden veranderde bij 42% van de reuen en 24% van de teven. Voornamelijk reuen vertonen duidelijk minder agressief gedrag (30%), terwijl een klein deel (7%) van de teven juist agressiever wordt, 3% van de teven wordt echter vriendelijker. Verder toont 7% van de reuen en 5% van de teven in het algemeen minder interesse voor andere honden vergeleken met de situatie vóór de castratie. Omgekeerd is het ook zo, dat de interesse van andere honden voor gecastreerde soortgenoten afneemt.

Ten opzichte van gecastreerde reuen lijkt het er in enkele gevallen op dat deze worden aangezien voor een teef (opdringerig besnuffelen, bespringen e.d.) Veel eigenaren zijn van mening dat het karakter van hun hond na castratie aanhankelijker/liever is geworden. In de situatie dat drie of meer honden bij elkaar worden gehouden vallen de eigenaren minder nadrukkelijk gedragsveranderingen op. Dit kan mede een gevolg zijn van het feit dat de eigenaar elke individuele hond minder kan observeren, maar ook kan hiervoor een aanpassing aan het gedrag van de roedel verantwoordelijk zijn.

Fysieke gevolgen van castratie Bij 3,7% van de teven treedt na de castratie incontinentie op, vooral bij de wat zwaardere rassen (Dogachtigen). Verder zegt driekwart van de reuenbezitters en tweederde van de tevenbezitters dat hun hond na de castratie met een gewichtstoename te maken heeft. Op dit punt zijn tussen de rassen grote verschillen waar te nemen: bij Dwergpoedel-, Cocker Spaniel-en Hovawart-reuen een gewichtstoename van circa 40%, terwijl de Boxerteefjes eerder van een gewichtsafname sprake was. In het bijzonder bij de Langharige rassen wordt, aldus de eigenaar, de vacht dikker/mooier na de castratie.

De relatie baas-hond

Uit andere bronnen komt naar voren dat vooral in de gevallen waar dieren aantoonbaar vermenselijkt worden, vaak ongewenst gedrag van de dieren optreedt. De enige uitzondering hierop lijkt eigenlijk de hond, die heeft de mogelijkheid om zich aan de situatie aan te passen en het gezin waarin hij leeft te zien als zijn roedel. Toch is contact met soortgenoten zeer gewenst (voornamelijk in de socialisatiefase) om de omgangsvormen met nadere honden te oefenen.

Een gedragsverbetering alleen moet geen onvermijdelijke reden zijn om tot castratie over te gaan. Over het voorkomen van nakomelingen of loopsheid als reden om castratie te verlangen (door de eigenaar) kan door een dierenarts niet zonder meer beschouwd worden als een legitieme reden om de operatie daadwerkelijk uit te voeren. Wel moet altijd in gedachten worden gehouden dat honden een belangrijke bijdrage (kunnen) leveren aan het welzijn en de Levensvreugde van de eigenaren. Het is bijvoorbeeld zo, dat hondenbezitters na een hartinfarct een vier maal zo grote overlevingskans hebben, wat toegeschreven kan worden aan de (extra) Lichaamsbeweging en de grotere mate van levensvreugde die het bezit van een hond met zich meebrengt. Met dit soort zaken in het achterhoofd kan het toch noodzakelijk zijn om bij voorbeeld een bijtgrage, agressieve reu louter vanwege dit gedrag te besluiten tot castratie.

Ter afsluiting

Ondoordachte aanschaf en onvoldoende kennis van de eigenschappen van de verschillen rassen en geslachten kunnen later tot problemen leiden met honden. Wanneer honden te veel vermenselijkt worden en als gelijkwaardig aan de mens worden beschouwd krijgen ze veelal tevens een inconsequente opvoeding, wat kan resulteren in ongewenst gedrag.

Op grond hiervan moeten bij therapiemaatregelen die de problemen van dit soort honden moet oplossen, de baashond relatie in de therapie betrokken worden.

Door bij de therapie gevoerde gesprekken kunnen misverstanden en fouten in de opvoeding en de houding ten opzichte van de honden opgelost worden en pas in tweede instantie moeten operatieve maatregelen (zoals castratie) hiervoor in aanmerking komen.